Kosovo: Balkanoorlog verhalen



Kroniek van Onmacht

 

Hieronder zijn een paar uittreksels te lezen uit het boek "Kroniek van Onmacht", geschreven door Jennie Vanlerberghe. Het volledige boek kan in PDF-formaat worden geopend of gedownload via de volgende link:

 

 

Download "Kroniek van onmacht" (460 KB)

 

 

Voorwoord

 

Bij rampen en conflicten worden de slachtoffers overspoeld met hulp, haast verstikt onder de goede bedoeldingen. Heel lovend, maar daarna? Tien jaar later bijvoorbeeld? Wat zie je dan?

Daarom ging ik terug. Terug naar de plaats van ellende en onmacht. Tien jaar later is de onmacht misschien nog groter. Het lijkt onmogelijk de gebeurtenissen van het verleden los te laten. Het verleden verstikt nog steeds de toekomst, maakt het onmogelijk om normaal te leven. En het roept vragen op als de Bosnische Ermin zegt: ‘en waar is al dat geld dat destijds voor Sarajevo bestemd was, gebleven? Waarom controleert het Westen dat niet?’

 

Tijdens de Balkanoorlog (vanaf 1991) ontmoette ik veel vrouwen. Enkele jaren na de oorlog verloor ik hen uit het oog, omdat het leven me meenam naar andere uitdagingen, naar andere horizonten. Samen met hen had ik ontelbare keren door het vervloekte oorlogsgebied gereisd; veel intense, verdrietige en heel gevaarlijke momenten meegemaakt.

Ana en ik hadden ons meer dan eens in bijzonder hachelijke situaties bevonden. Om te overleven, waren we nu en dan enkel op elkaar aangewezen. Dat schepte een onnoemelijke band. Op den duur noemden we elkaar ‘sister’.

Met Visnja reisde ik mee naar Washington en naar New York om het uit te schreeuwen hoe ongelofelijk erg die oorlog wel was. Hoe vrouwen en kinderen vernederd werden. Hoe dringend er vrede moest komen.

En ja, ik botste al eens op nationalisme dat soms moeilijk van gewone vaderlandsliefde te onderscheiden was. Soms moest ik echt uitkijken om niet te worden meegesleept. Ook voor de vrouwen was het moeilijk. Ana bleef over kinderhoofdjes van alle nationaliteiten strelen. Maar nu en dan zag ik een bittere trek rond haar mond. Het leerde me in elk geval dat oorlog harde en ongelijke kanten heeft: de kant van een vriend en die van een vijand. Het leerde me dat er zovelen schuldig en zovelen onschuldig zijn.

Soms verbleef ik op het appartementje van ‘mum’, die me als een tweede moeder in haar armen sloot. Ze breide sokken, sjerpen en tasjes voor me. Ze versierde kerstmannen en paaseieren die ze in mooie pakjes stopte.

 

De verhalen van vluchtelingen, verkrachte vrouwen en onthutste kinderen vulden mijn hart, mijn wezen. Ze kropen op den duur onder mijn huid. Soms maakte ik me boos als iemand duidelijk aangaf genoeg te hebben van wat ik te vertellen had. Ik was verbaasd over de onverschilligheid, het onbegrip. Hoe was dat mogelijk, het gebeurde allemaal op amper duizend kilometer van bij ons?!

Mijn familie, mijn vrienden moesten het heel dikwijls zonder mijn aandacht stellen. Ze bleven gelukkig mijn engagement steunen.

En toen… toen stopte de oorlog. Eind 1995 werden de Dayton-akkoorden getekend. De jaren gingen aan de haal met herinneringen. De telefoons naar ‘sister’ Ana werden schaarser, de mails naar Visnja sporadisch. De kerstkaarten verschraalden. Zij van hun kant antwoordden zelden. Alles viel stil.

 

En nu, tien jaar later? Tien jaar na de Dayton-akkoorden, tien jaar na Srebrenica?

Zijn de geronnen bloedvlekken uitgeveegd? Heeft haat plaats gemaakt voor begrip, voor vergeving?

Het duurde lang eer ik Ana terugvond, of liever eer ik haar aan de telefoon kreeg. Op mijn oproepen reageerde ze niet. Ik bleef aandringen. Ook de anderen reageerden afstandelijk.

Het antwoord van ‘mum’ was werkelijk een koude douche. ‘Neen, je moet niet meer komen.’ Misschien wou ik absoluut daarom gaan. Er was dus duidelijk iets aan de hand.

 

Munira en andere moedige vrouwen van Srebrenica heb ik in 2000 tijdens een vredescongres in Frankrijk ontmoet. Ze hielden beklijvende toespraken, ze riepen op en waren overtuigd van hun gelijk. Toen waren die vrouwen nog steeds verlaten van God en van iedereen. Kort daarna hebben Munira en de anderen hun gelijk gehaald.

Tien jaar geleden werden ze als vee weggevoerd terwijl men lustig hun vaders, zonen en mannen doodde. De internationale gemeenschap keek toe. Het duurde een hele tijd eer het woord ‘volkerenmoord’ viel, eer er spijt werd betuigd.

 

Ik ben blij dat ik ook innemende Servische vrouwen heb ontmoet en dat ik in veel verhalen heel wat positieve Servische anekdotes heb kunnen opnemen. Want vriend of vijand is voor mij geen kwestie van nationaliteit.

 

Eén ding is zeker: tien jaar later is de onmacht bijzonder groot.

 

 

 

 

Ismeta in een Franse voorstad

 

‘Ik voel haat, ja. Veel haat. Nog even veel haat als meer dan tien jaar geleden. Ik sta ermee op en ga ermee slapen. Haat bepaalt mijn leven, maar ik weet dat goed onder controle te houden. Niemand weet dat. Het is mijn geheim. Ja, ik voel verachting, verachting voor het leven, verachting voor iedereen eigenlijk. Behalve voor mijn twee kinderen… misschien.’

 

Ismeta woont in één van de grote woonblokken in Villeneuve-d’Asq, een voorstad van Rijsel. Woonblokken die zichzelf in alle eentonigheid herhalen. Dezelfde vaalheid, dezelfde vensters, dezelfde wasdraad over het terras en dezelfde jonge kinderen die wat arrogant op de parking met fietsen en skateboards rondrijden. Hun eigen, open wereld, want thuis slaat de bevangenheid toe.

Bevangen is ook de trap naar Ismeta’s appartement. Afgebrokkelde stenen, grauwe muren hier en daar opgesmukt met graffiti en een alomvattende vieze geur die onopgeruimde uitwerpselen doet vermoeden.

Ismeta heeft haar appartement met wat moderne meubels van Ikeasignatuur ingericht. Een moderne lamp, een paar plantjes en een immense sofa waarin haar kleurrijk geklede moeder van vierentachtig ligt te zuchten, terwijl ze een oog op de flitsende televisie houdt. Op TF1 zendt men graag blitse shows uit met gestileerde dames en gesticulerende heren. Het is zo goed als zeker dat Zembla geen woord van de peptalk begrijpt.

Zes maanden per jaar komt Zembla bij haar dochter in Frankrijk wonen, de andere zes maanden blijft ze bij haar zoon in Prejidor in Bosnië. Frans leert ze niet, waarom zou ze? Ze komt in de winter naar Frankrijk en behalve een familieuitstap naar het warenhuis Auchan waar ze zich vergaapt aan de westerse weelde, blijft ze thuis. Als een levend monument van een geteisterd land dat nog steeds zijn draai niet vindt.

Zembla mort hoofdschuddend over alles en nog wat, en vooral over haar tienerkleinkinderen. Ze breit sokken die door niemand meer worden gedragen en beklaagt zich over het onbegrip van de moderne wereld die geen rekening houdt met waarden. Haar waarden liggen in het moslimgebed dat eeuwig en altijd op haar lippen trilt.

De aanwezigheid van haar moeder stemt Ismeta zeker niet vrolijk. ‘Enfin, maman,’ zegt ze in het Frans. Tegen mij: ‘elle m’énerve!’

 

Zembla lijkt plots tot leven te komen, de gebloemde lange rok beweegt. Mijn aanwezigheid is haar opgevallen. Ze vraagt iets aan Ismeta. De voor mij onbegrijpelijke conversatie met haar dochter duurt niet lang. Daarna spitst Zembla zich op mijn culinair welbehagen, ze wil absoluut koffie serveren.

‘Kaffa,’ zegt ze, en maakt een gebaar met haar magere hand die bestrooid is met bruine ouderdomsvlekken. Maar ook hier geeft Ismeta niet toe en troont me mee naar de keukentafel waar ze een fles rode wijn voor me opent. Zembla besluit daarna om geen aandacht meer aan me te geven en concentreert zich nu helemaal op de televisie.

 

Ismeta stuurt haar twee kinderen naar hun kamer.

‘Wat ik te vertellen heb, is niet voor jullie oren bestemd,’ zegt ze kordaat. De twaalfjarige zoon protesteert. Hij is nieuwsgierig en wil eindelijk die familiegeheimen kennen. Misschien wou hij gewoon ook tv kijken, maar ook hier blijft Ismeta kordaat. ‘Je kamer,’ herhaalt ze.

 

Ismeta is negenendertig, klein en bijzonder mager. Haar donkerblonde, korte haar omlijnt haar gezicht dat regelmatige trekken heeft. Haar ogen zitten diep achter een veel te grote bril. Heel voorzichtig schenkt ze mijn glas vol en daarna haar glas. ‘Een goed glas wijn kan deugd doen,’ zegt ze als een authentieke Française die spijs en drank te allen tijde op prijs stelt.

Het heeft nogal wat overredingskracht gekost om haar zover te krijgen haar verhaal te vertellen.

Ismeta: ‘Ik wil er eigenlijk niet meer aan denken. Ook niet over wie ik ben, maar rond mij zijn er altijd dingen die me aan het verleden herinneren, die me erop wijzen dat ik maar een vluchtelinge ben. Maar niemand, niemand in mijn omgeving kent mijn verhaal. Mijn herinneringen kan ik ook moeilijk verwoorden. Ik hoop dat je geduld met me hebt.’

Ismeta steekt een nieuwe sigaret op. Begint in haar keuken plots wat met de afwas te rommelen. Alsof ze de start van haar levensverhaal ontvlucht. Langzaam veegt ze het aanrecht proper, laat wat water lopen, neemt een handdoek en wrijft een paar glazen droog en kan keert ze terug naar de tafel.

Ismeta: ‘Ooit zal ik onze geschiedenis aan mijn kinderen moeten vertellen. Momenteel verzamel ik alles wat over “onze” oorlog verschijnt, zodat ik klaar zal zijn. Nu zijn ze nog te jong. Ik spreek nooit over mijn verleden, ik spreek nooit over hun vader, misschien is dat af te keuren, maar het is zo. Ik heb geen argwaan tegenover de Fransen, tegenover mijn buren, maar ik heb ook geen behoefte om hun alles te vertellen. Ik ben nogal naïef, ik geloof iedereen en meestal voel ik me daarna door iemand verraden.’

 

 

23 juli 1992 Prejidor- Bosnië

 

Een prachtige zomerdag. Het zou een vredig plaatje kunnen zijn van boeren die naar hun land trekken, van arbeiders die naar hun werk gaan, van vrouwen die de tapijten uitkloppen terwijl ze over hun vensters hangend een praatje slaan met de buurvrouw, van markten die zich met locale groenten vullen, van kinderen die dartelend naar school lopen. Dat was inderdaad een illusie. Bosnië werd sinds april door een oorlog geteisterd en het bleef er heel onrustig. Niemand had nog werk. Vreselijke verhalen deden de ronde. Prejidor is een moslimstadje in het noordoosten van Bosnië, omringd door heuvels. Sinds het begin van de oorlog was het ook het doelwit van Servische razzia’s. Of liever van etnische zuiveringen. De echte omvang van de gruwel was in Prejidor vooralsnog onbekend. Zelfs niet wat er in het beruchte Omarskakamp gebeurde. Het kamp lag namelijk in de directe omgeving van Prejidor.

 

Ismeta: ‘We dachten: ze zullen vooral het centrum van de stad viseren. Daarom verbleven wij, mijn man en ik met onze twee kinderen, al een tijdje in het huis van mijn ouders. Het huis lag tegen de heuvels, op amper 2 kilometers van de hoofdweg en vlak bij de grote moskee. Alleszins weg van de omgeving waar de Serviërs zaten. Ook mijn broer, zijn vrouw en kinderen verbleven om dezelfde reden bij mijn ouders. We hadden de woensdag al gehoord dat Serviërs huis na huis binnenvielen. Berichten waren echter altijd heel verward. Er werd druk getelefoneerd en met de buren liep de tamtam goed gesmeerd. In elk geval liep niemand nodeloos buiten. Toen kwam plots het bericht dat men op zoek was naar wapens. Het stelde ons wat gerust, want we hadden geen wapens. De donderdagmorgen om negen uur klopten ze wel aan onze deur. Je verwacht zoiets, maar schrikt toch behoorlijk. Iedereen moest het huis uit. We stonden in het voortuintje te wachten op wat komen zou. De rozen bloeiden weelderig tegen het groene hek. De natuur kan zo mooi zijn, het is dan onwezenlijk dat mensen zo beestachtig doen. Ook de buren werden naar buiten gestuurd, we stonden elkaar aan te kijken. Niemand durfde te bewegen, of een woord te zeggen. Maar de kinderen begonnen te huilen en mijn man kon het niet meer aanzien en protesteerde heftig. ‘Wees toch niet zo onmenselijk, wat hebben we jullie misdaan? Laat mijn vrouw met de kinderen terug naar binnen,’ zei hij. Ik stond met mijn zoontje in mijn armen, hij was amper een maand oud, zijn zusje tweeëntwintig maanden. De soldaten weigerden, we moesten blijven staan. Uiteindelijk moesten alle mannen mee. Ze liepen voor de soldaten, hun handen op hun hoofd. Mijn man draaide zich nog even naar me om en kreeg een klap van een geweer. Ik hoorde hem verder protesteren en ik weet dat ik toen dacht “hou op, het heeft geen zin”. Toen iedereen weg was, gaf de laatste soldaat, het kan ook een chef of zoiets geweest zijn – militaire rangen interesseren me niet – het bevel dat wij naar binnen mochten en de eerste uren maar beter niet buiten konden komen.

“We houden u in de gaten,” zei hij. We sloten alles af en zaten verschrikt in de woonkamer te wachten op wat komen zou. Ik had de daver op mijn lijf, mijn moeder zat te huilen en mijn schoonzus rookte de ene sigaret na de andere. Ze zei voortdurend: het voorspelt weinig goeds, het voorspelt weinig goeds. “Zwijg toch,” antwoordde ik. Om twee uur in de namiddag werd het kalm in de straat, leek het gevaar geweken. Heel voorzichtig zijn we toch buiten gekomen en naar de buren geslopen. Mijn schoonzus kreeg gelijk, de buren vertelden ons dat er vreselijke dingen gebeurd waren. Zo begint alle onheil, eerst is er verbazing en daarna die onnoemelijke angst. We zagen vuur uit het dak van de moskee komen. Zonder omkijken ben ik tot aan de moskee gelopen. Daar voor de poort van de moskee lag mijn man helemaal zwart geblakerd, als een foetus in elkaar gedraaid. Er lagen nog een aantal andere verbrande lichamen. Daarmee hadden de Serviërs ons diep vernederd. Moslimmannen en de moskee, samen in brand gestoken. Mijn vader en broer had ik tussen de verbrande lichamen niet eens herkend. Wel een paar jongens van de buren. Zo onwezenlijk allemaal. Enkele uren daarvoor lagen mijn man en ik nog naast elkaar in bed. Warm dicht bij elkaar alsof niks ons zou kunnen scheiden en nu lag hij daar verkoold. Ik weet niet eens meer hoe ik gereageerd heb, ik denk dat ik luid begon te roepen. Op hetzelfde moment werden elders in Prejidor vrouwen op een beestachtige manier verkracht. Dat wisten we toen nog niet.’

 

Ismeta moest aan haar moeder en schoonzus het vernietigende nieuws gaan vertellen. Eén en al verwarring en verdriet. Niemand voelde zich nog veilig in het huis. Het werd een eindeloze nacht, een nacht waar men hopeloos naar de eerste tekenen van de nieuwe dag uitkeek om dan te ervaren dat die dag enkel het wanhopige vervolg van de nacht was. Angst en verdriet laten zich niet door daglicht vangen.

 

Ismeta: ‘Ik weet niet goed meer hoe we de nacht doorkwamen. Mijn eerste nacht als weduwe. De baby was heel onrustig. Ik herinner me dat we totaal uitgeput gingen slapen, maar een half uur later zaten we allemaal opnieuw in de woonkamer. De volgende morgen ben ik meteen terug naar de moskee gaan kijken. God, mijn man lag daar nog steeds. Niemand durfde ook maar een hand uitsteken om de lijken te bergen. Er stonden trouwens Servische soldaten bij, als bewaakten ze een mijnenveld. Op de terugweg sprak een buurvrouw me aan en vertelde me dat ze mijn vader en broer dood aan de kant van de weg had zien liggen en dat ze zeker wist dat mijn man eerst werd doodgeschoten vooraleer hij in brand werd gestoken. Het moest me troosten, in mijn hoofd en hart was daarvoor geen ruimte meer. In 24 uur hadden we in onze familie af te rekenen met drie doden. Drie doden waarover we zekerheid hadden. Bij vier van mijn zussen werd hun man ook meegenomen. Drie van hen kwamen nooit meer terug. Ook de achttienjarige zoon van mijn oudste zus is gedood.’

 

Om hoeveel personen kan men in één keer rouwen? Een dag later kwamen Servische bussen aangereden en iedereen kreeg een ‘kans’ om te vertrekken. Wie niet meeging, werd geen verdere veiligheid gegarandeerd. Ismeta’s schoonmoeder, die dichtbij woonde, weigerde mee te gaan. Ze wou in de omgeving van haar gedode zoon blijven. Bovendien had ze nog twee zonen waarover er geen zekerheid had.

‘Waar zijn ze?’ De soldaten gaven geen antwoord. Ismeta vulde een rugzak met eten en melk voor de kinderen. Ze nam een lichte vest en wat knuffels, ze was er stellig van overtuigd dat ze naar minder gevaarlijk gebied in Bosnië zou gaan en later terug zou keren.

 

Ismeta: ‘Op dat moment wou ik weg. Het was zo’n vreselijke plaats. Zelfs zonder die bussen zou ik daar een tijdje weggegaan zijn. Naar familie in een andere stad of dorp. We werden naar Trnopolje gebracht, een vluchtelingenkamp op ongeveer 15 km van Prejidor. Daar zijn we één dag gebleven, daarna werden we opnieuw verplicht te vertrekken. Deze keer met ouderwetse open vrachtwagens die ons naar Travnik voerden. Niet makkelijk met een baby en een klein kind, dat kan ik je verzekeren. In dat kamp heb ik één van mijn andere zussen teruggevonden die toen al wist dat ze haar man en zoon verloren had. Het was voor mijn moeder, die toen tweeënzeventig was, ook een echte calvarieberg. Ondertussen was mijn schoonmoeder, weliswaar onder luid protest, uit haar huis gezet en meegenomen. Gelukkig wist ik dat pas veel later, want het troostte me dat er toch iemand dicht bij mijn man bleef. Ze hebben de lijken na enkele dagen gewoon op een vrachtwagen gegooid en weggevoerd.’

 

Het vluchtelingencentrum in Travnik was een school. Toen Ismeta en de andere vluchtelingen er werden ‘afgeleverd’ was het net vakantie. Het zou nog jaren duren eer de school opnieuw haar oorspronkelijke bestemming zou krijgen. De klassen lagen vol matrassen, vrouwen en kinderen zaten dicht bij elkaar. Privacy op nul. De dagen trokken zich telkens langzaam, heel langzaam naar de avond toe. Een vermenigvuldiging van verveling. En van vreselijke verhalen die ook heel erg op elkaar leken. Vluchten is niet uniek, vluchtelingenkampen ook niet. Het zitten, het slapen en het eten is een collectief gebeuren. Het eten in Travnik moest in de keuken worden afgehaald. Elk zijn schoteltje, elk evenveel. Er was echter niet genoeg. Discussies laaiden op. Mijn brood, mijn banaan. Kinderen werden nerveus, hielden de vrouwen wakker.

 

Ismeta: ‘Ja, het was vernederend, maar er waren ergere zaken. Ik was vooral met mijn kinderen bezig. Weet je, ik probeerde de doden uit mijn gedachten te bannen. Akkoord, ik heb mijn man dood gezien, maar voor mij is dat niet waar. Er is niks gebeurd. Niks meer dan een film, een horrorfilm. Ik denk nog altijd, nu, zoveel jaar later, dat ik wakker zal worden en merken dat alles een nachtmerrie was.

We zijn maar één week in Travnik gebleven. Daarna werden we naar Zadar, aan de Adriatische kust in Kroatië gevoerd, waar we twee maanden bleven. Net hetzelfde scenario. Officiële hulp was er ook niet. Kleine hulporganisaties zetten zich wel enorm in. Er kwamen goederen uit het buitenland. Teveel van het een, te weinig van het ander. Ik heb mijn plan getrokken, nooit heb ik aan iemand iets gevraagd, ik was tenslotte geen bedelaar. Ik heb mijn fierheid kunnen bewaren. We waren er intussen met een redelijke groep van onze familie. Mijn moeder, zus, schoonzus, ikzelf en de kinderen.’

 

Enkele weken later staat er Franse familie van Ismeta’s echtgenoot aan de poort van het vluchtelingenkamp in Zadar. Alleen Ismeta en haar kinderen worden uitgenodigd om mee te rijden naar Frankrijk, de anderen niet. Terwijl Ismeta samen met haar twee kinderen in de auto stapt, stopt voor het vluchtelingenkamp een bus die haar familie naar Zagreb naar een ander vluchtelingenkamp zal voeren. Even nog twijfelt Ismeta. Gaat ze met de bus mee of met de auto? Blijft ze bij haar moeder of gaat ze mee naar Frankrijk? ‘Ga toch weg,’ maant haar moeder haar aan, ‘denk aan je kinderen.’ Het afscheid is bijzonder pijnlijk. Een dag later komen ze in Troyes aan, waar ze in tegenstelling tot Ismeta’s verwachting niet bij de familie verblijven, maar naar een Frans asielcentrum worden gebracht. De familie verzekert haar dat het voor haar toekomst beter is. Vooral voor de afhandeling van papieren.

 

Ismeta: ‘Ik heb dan maar direct asiel aangevraagd. Zo ben je wel meteen tot officiële vluchtelinge gedegradeerd. Al heb ik diep in mijn onderbewustzijn altijd mijn status van vluchteling genegeerd. Ik wou absoluut normaal zijn, geen vluchteling. Zoals iemand die zijn eigen handicap negeert. Na enkele weken heb ik er alles aan gedaan om ook mijn familie naar Frankrijk te krijgen. Twee maanden later kon de rest van de familie komen. Nog steeds bleef ik ervan overtuigd dat alles maar voorlopig was. Toch ging ik naar de Franse les die in het centrum werd gegeven. Met de andere Bosniërs zaten we dag en nacht voor de televisie. Angstig om wat er aan het gebeuren was, hoopvol dat het zou eindigen. Franse hulporganisaties stonden ons goed bij en een paar keer vroegen ze me om over Prejidor te vertellen. Maar het waren woorden in de wind. Eigenlijk word je als een aap tentoongesteld: “Kijk eens wat ze meegemaakt heeft.” De mensen schudden hun hoofd: “Amai, zoveel ellende.” Daar blijft het bij.’

 

Na anderhalf jaar wordt Ismeta als vluchtelinge erkend. Ook haar familie krijgt de nodige papieren. Ze moeten nu wel naar een centrum waar erkende vluchtelingen verblijven. In Marc-en-Baroeul, Noord-Frankrijk, is er plaats voor tien personen. Voortaan krijgen ze een kleine toelage. En wat voor Ismeta belangrijk is: ze mag werken.

 

In een textielfabriek in Roubaix kon ze beginnen. ’s Morgens om halfzeven vertrok ze met het openbaar vervoer. De kinderen zaten dan gereed om een paar uur later naar school te vertrekken. Ismeta zocht steeds haar zelfde plaatsje op de bus. Minzaam lachte ze naar steeds dezelfde gezichten of keek naar buiten, naar het grauwe landschap. De nieuwtjes die elke dag de ronde deden interesseerden haar maar matig. Het enige woord dat haar hoofd deed draaien was: Bosnië. De textielfabriek lag in een industriezone en was een groot verouderd gebouw. Het licht kwam binnen via ruiten in het dak. Tijdens de zomer brandde de zon genadeloos, in de winter zag je de pakken sneeuw langzaam wegsmelten. Om vijf uur werd de dag afgeblazen. Daartussen waren er rustpauzes waar koffie, soep of boterhammen werden verorberd of waar de sigarettenrook in dikke wolken boven de praatjes werd verspreid. In die rustpauzes hield Ismeta zich zo veel mogelijk apart. Weg van de nieuwsgierige vragen. Weg van de uitleg die ze zou moeten geven. Zonder opkijken stikte ze zakken op jeansbroeken. Altijd dezelfde stof, dezelfde broeken, hetzelfde patroon. Alle naaimachines werden door een centrale computer gecontroleerd. Indien naaimachine 39 te lang stil lag, werd de werkster op het matje geroepen. ‘Wat heb je van elf tot kwart na elf gedaan?’ Je kon maar beter een geldige uitleg hebben. Want het ging niet zo goed met het bedrijf. De Amerikaanse connectie had te kennen gegeven naar goedkopere loonlanden te willen uitwijken. Ismeta onderging het systeem, nooit werd zij op het matje geroepen en als de vakbonden met stakingen dreigden, bleef ze op de achtergrond hopen dat ze haar werk niet zou verliezen en haar familie kon blijven helpen. Niettegenstaande er met veel overtuiging werd betoogd, gefloten en geschreeuwd, sloot het bedrijf eind 1998 voorgoed zijn deuren. Ismeta stond samen met alle andere werknemers op straat.

Ismeta: ‘Pijnlijk natuurlijk. Want ik was tamelijk goed betaald en kon mijn kinderen en mijn familie onderhouden. Al was het toch een eentonige en eenzame job. Elke dag telde ik de minuten af om ’s avonds naar huis te gaan en om dan samen met mijn kinderen en mijn familie mezelf te kunnen zijn. Voor de rest had ik met niemand contact. Het was me ondertussen ook duidelijk geworden dat mijn verdere leven zich in Frankrijk zou afspelen. Mijn kinderen groeiden hier op, hadden vriendjes en hadden weinig last van het verleden. Eerder dat jaar waren mijn moeder en mijn schoonzus naar Bosnië teruggekeerd. Ik wilde niet meegaan en legde mijn handen op mijn oren als ze het erover hadden. Ik werd er zelfs heel zenuwachtig en kregelig van. Met volle overgave heb ik me toen verder op de Franse taal gestort en daarna heb ik cursussen Engels en informatica gevolgd. In 2001 haalde ik mijn diploma. Sinds een paar jaar werk ik aan de universiteit van Rijsel op de dienst informatica. Voor mij is mijn leven nu geslaagd. Ik doe het heel graag en word gewaardeerd. Als ik ’s morgens de trappen van de universiteit oploop, voel ik me gelukkig. Ik ben een carrièrevrouw geworden en ben daar fier op. Mijn collega’s zijn tof, ik vier hun verjaardagen en trakteer met pralines. Maar mijn verleden blijft op afstand. Iedereen weet dat ik een alleenstaande moeder ben, op een appartement woon en uit Bosnië kom. Punt. Meer niet. Tijdens de week werk ik, tijdens de weekends poets ik mijn appartement. Of ik ga op bezoek bij mijn zus. Zij is ook in Frankrijk gebleven en woont in hetzelfde blok, wat heel handig is voor de kinderen. Een nieuwe relatie? Dat zie ik niet zitten. Het zit niet in mijn hoofd om te hertrouwen. Ik geef toe dat het misschien goed zou zijn om iemand te hebben, maar ik kan het niet. Ik ga niet uit en ik zie me echt niet met een andere man. De liefde zegt me niks. Ik geloof daar niet meer in. Hoe zal ik iemand vinden die aan het beeld van mijn man beantwoordt of een vader voor mijn kinderen kan zijn? Als je zo veelvuldig met de dood werd geconfronteerd, is leven op zich al een hele opgave. Trouwens ik had nooit verwacht dat er zoveel tragiek in mijn leven zou komen. Mijn verleden vervolgt me en belet me te genieten. Het is heel complex. Ik voel me gehinderd, er is altijd die rem. Nog steeds ben ik aan het revalideren van een kwetsuur. Ik wil het zelfs niet vergeten. Voor mijn kinderen zie ik een Franse toekomst. Ze waren te klein, ik voel bij hen geen wonden, maar ze blijven me toch vragen stellen. In Bosnië wil ik nooit meer wonen. Ik haat een land dat zo met zijn bevolking omgaat. Een paar keer ben ik mijn moeder gaan halen en dan haast ik me telkens terug naar hier. Nochtans voel ik me zelf geen Française. Wie ik ben? Ik weet het niet… Ismeta zeker.’

 

Zembla is in haar zetel in slaap gevallen. Heel regelmatig gaat haar borst op en neer. De televisie staat nog aan, zit al diep in de avondprogrammatie. Uit de jeugdkamers waar een tijdje heel harde muziek klonk, komen geen geluiden meer. Onze fles wijn is bijna leeg.

‘Ismeta,’ vraag ik als ik haar bij het afscheid omhels, ‘Ismeta, waarom gaan we niet eens leuk samen iets eten. Wij twee.’

‘Oké,’ zegt ze, ‘dat wil ik misschien wel eens doen, maar we komen niet meer op ons gesprek terug? Beloof je dat?’

‘Beloofd!’

Even later sta ik in de donkere gang en draai me nog even naar Ismeta om. Ze komt een paar stappen naar me toe gelopen.

‘Ik moet nog iets zeggen. Ik werd niet verkracht hoor. Schrijf dat niet hé.’

Ik aarzel even vooraleer te antwoorden.

Ze herhaalt nadrukkelijk: ‘Je gelooft het toch dat ik nooit verkracht werd?’

‘Ismeta, we hadden toch afgesproken niet meer op het gesprek terug te komen?’

Ze glimlacht en werpt me een kushand.

 




Visnja en haar schuldgevoel

 

Na een sober ontbijt – hotel Dubrovnik is nog steeds een staatshotel dat zich niet tot copieuze ontbijten laat verleiden – , ga ik even op de grote markt van Zagreb wandelen. De zon schijnt, alles ziet er rustig en vredig uit, zelfs de oudere vrouwen in hun donkere dikke jassen die bedremmeld bedelen, alsof ze zich schamen. Uit grote plastic tassen diepen ze handwerkjes op. ‘Handgemaakt,’ prijzen ze hun waar aan. Ik kijk de andere kant op en haat mezelf erom. Heel mijn interieur ligt namelijk vol handwerkjes in alle mogelijke kleuren en ingenieuze steken. Bovendien moet ik met dergelijke geschenkjes niet meer bij familie en vrienden aankomen. Nu al merk ik dat er net voor mijn aangekondigd bezoek hier en daar vlug wat gehaakte versiersels worden opgediept. Het is geen excuus, ik weet het.

Oudere mannen staan in groepjes te praten of gewoon te kijken, hun jassen tot op de draad versleten. Bedelaars en armoede hebben blijkbaar de plaats ingenomen van de schichtige vluchtelingen die meer dan tien jaar geleden het straatbeeld bevolkten.

Om 10 uur heb ik een afspraak met Visnja in de lounge van het hotel, waar zakenlui hun aktetassen ongeduldig laten klikken en poetsvrouwen zich verontschuldigend hun weg borstelen.

Visnja is veranderd. Vooral haar leven is veranderd. Ik bewonderde Visnja. Haar levenswijsheid sprak me aan. Door haar studies ‘history’ aan een Amerikaanse universiteit spreekt ze niet alleen vloeiend Engels, maar kent zowat de namen en data van elke gebeurtenis die ingrijpend was voor mensheid. Tot voor kort was ze hoofdredacteur en uitgever bij een grote uitgeverij van kunst- en geschiedenisboeken in Zagreb.

Nu is Visnja grauw en grijs geworden. Ze moet al een paar jaar met een schamel pensioen rondkomen. Ook haar echtgenoot, Dinko, een vooraanstaande professor in de havenbouw-architectuur, heeft al vier jaar geen werk meer. De situatie weegt zwaar op Visnja en Dinko. Het eens zo harmonieuze koppel, heeft momenteel een wrange verhouding.

Visnja zit diep in de kussens van de zetels teruggetrokken. Alsof ze wat gegeneerd is voor haar toestand. Voor de metamorfose van belangrijk naar onbelangrijk. Voor het gevoel van zoveel geloof in de mensheid dat ongeloof geworden is.

Een paar keer heb ik Visnja naar New York en Washington vergezeld om er tijdens de Balkanoorlog over vrede te praten. Ze was toen bij alle internationale instanties een graag geziene gastspreekster en imponeerde vriend en vijand met haar scherpe analyses en haar inzicht in een oorlog die een misdaad tegen de mensheid was. Visnja had besloten dat de wereld de waarheid moest horen en dat zij de persoon was die dat kon uitdragen.

‘Weet je nog, Visnja, toen we in Washington met de Bosnische ambassadeur Sacirbey zaten te praten?’, zet ik het gesprek in.

Net op die avond en op het moment dat we met de ambassadeur praatten, kwam het bericht binnen van een granaataanval op de markt van Sarajevo. Het was vijf februari 1994. Meer dan zestig mensen lieten hun leven. Een huiveringwekkende anekdote, die Visnja en mij bindt.

‘Pfff, Sacirbey, ook al een oorlogsmisdadiger,’ antwoordt Visnja kort. Ze wil er verder niet op ingaan. De oorlog heeft haar in meer dan één opzicht ontgoocheld.

‘De oorlog heeft me kapot gemaakt. Hij heeft ons allemaal kapot gemaakt. Dinko, mijn echtgenoot, zit zonder werk. Hij is nu zestig, men heeft hem niet meer nodig. Kan je je dat voorstellen, een man met zoveel kennis? Onze activiteiten hebben zich nu noodgedwongen tot familiale aangelegenheden beperkt. Hoewel het ons veel vreugde verschaft. Ik zorg graag voor mijn kleinkinderen. Ik ga nu wekelijks het appartement van mijn dochter poetsen. Dinko en ik, wij maken ons dienstbaar, er blijft trouwens niet veel anders over. Alleszins geen geld. We kunnen met moeite onze tramtickets betalen.

Mijn grootste probleem is echter mijn schuldgevoel. Dat immense schuldgevoel tegenover mijn familie en vooral tegenover mijn zoon Luka. Tijdens de oorlog heb ik me zo fervent voor vrede ingezet. Wat is er overgebleven? Ontreddering, de problemen met Luka, mijn diepe ontgoocheling in de politiek. De trots voor mijn vaderland is er misschien nog wat, maar voor mij kleeft er teveel bloed en tranen aan. Tijdens de oorlog ging ik elke dag werken. Zoveel boeken moesten we niet uitgeven, maar ik was er. Bereidde de nieuwe geschiedenis voor. We poetsten onze symbolen op. Met mooie kleurenfoto’s zou onze onafhankelijkheid er beeldig uitzien. Na het werk, in het weekend en op al mijn vrije dagen ging ik naar hulporganisaties. Ik stelde dossiers samen. We organiseerden, vergaderden, reisden. Ik had het zo verschrikkelijk druk.’

 

 

Zomer 1995

 

Visnja zat in haar bureau over films gebogen. Maya, haar assistente, had haar de laatste proeven gebracht. Ze zouden het zoveelste boek over de Kroatische martelarenstad Vukovar uitgeven. Met een vergrootglas keek Visnja naar de duif op de cover. Stond het beeld scherp genoeg? Meer rood? Meer blauw misschien? De hitte zinderde. Zweetparels vormden een kringetje boven haar lippen. Ze zette het raam iets verder open. De straatgeruchten klonken precies iets luider. Ergens speelden kinderen onbekommerd. Toen ging de telefoon.

‘Molim?’

‘Direct naar het ziekenhuis komen. Luka heeft een heel zwaar auto-ongeval gehad,’ zei iemand aan de telefoon.

‘Zwaar? Wat bedoel je, hoe zwaar?’, vroeg Visnja vertwijfeld.

‘Direct komen,’ klonk het beslist aan de andere kant. Visnja bleef een tijdje verwonderd met de hoorn in haar hand staan. Luka? Haar zoon Luka? Een ongeval? Ze riep Maya, gaf wat instructies en raasde weg.

Luka was een zachte jongen van 20 jaar, hij studeerde filosofie. Een schitterende student met een hoopvolle toekomst. Mama’s lieveling, altijd al geweest.

Visnja nam tram na tram en kwam hijgend in het ziekenhuis aangelopen. Dinko was er al en ving meteen zijn vrouw op.

Luka lag al op de operatietafel. De dokters konden zich voorlopig niet uitspreken.

Een auto had Luka aangereden. Men vreesde het ergste. Zijn benen waren verbrijzeld.

Visnja: ‘Het was vreselijk. Een dronken chauffeur was in volle snelheid de stoep opgereden, recht op Luka af die net boodschappen deed. Luka had de auto niet eens gehoord of gezien. Hij werd genadeloos weggemaaid. Luka, mijn lieve, lieve Luka. Ik wou hem niet verliezen. Dinko en ik zaten in die witte, steriele gang vlak voor de operatiezaal. Je bekijkt dan elke dokter, elke verpleegster die binnen of buiten die klapdeur komt. Je speurt hun gezicht af. Als ze lachen ben je al iets meer gerustgesteld. Ze zullen toch niet lachen als er daar binnen vreselijke dingen gebeuren, denk je dan. Het duurde misschien niet lang, maar voor ons duurde het eeuwen vooraleer de dokter buitenkwam en op ons toeliep. Hij gaf een bemoedigend knikje. Toen wist ik dat Luka het zou halen, dat alles goed zou aflopen. Een minuut later keek ik al op mijn uurwerk, want ik had nog wat te doen: een dringende afspraak bij een hulporganisatie waar vrouwen op me wachtten. Weg die allesomvattende angst. Weg die hopeloosheid. Nadat Luka eindelijk spierwit en nog onder narcose op een kamer werd gereden, liet ik hem al aan Dinko over.’

‘Dinko,’ zei ik, ‘ik ben een uurtje weg, vóór Luka wakker wordt, ben ik terug.’

‘Er was veel werk, de oorlog in Bosnië was nog in volle gang. En Luka zou het halen.’

 

‘Luka haalde het, zelfs zijn benen herstelden wondergoed. Al duurde het een jaar vooraleer de revalidatie kon worden stopgezet. Daarna wilde Luka opnieuw naar buiten, naar zijn vrienden, naar de universiteit, naar de boekwinkels, naar de mensen in de straat. Naar zelfstandig rondlopen vooral, zonder hulp en zonder krukken. Maar na een eerste uitstap schrok de straat hem af. Terwijl hij in zijn hoofd rijmen en sonnetten schreef, voelde hij een vreemde angst rond zijn hart sluipen. Hij werd paranoïde, hij was er zeker van dat hij werd gevolgd, dat zijn ongeval geen toeval was. Men viseerde hem. Verleden week kreeg hij een vaag vermoeden, vandaag was hij absoluut zeker. “Men zoekt me!” Hij durfde niet omkijken, maar op enkele passen voelde hij iemand naderen. Aan een groot uitstalraam bleef hij staan en probeerde via de ruit naar zijn achtervolgers te kijken. Alle voetgangers liepen ongeïnteresseerd voorbij. Luka taxeerde, ontleedde: die of die misschien? Allemaal met slechte bedoelingen, dat was hij zeker. Hij liep naar huis, viel hijgend in de armen van zijn vader.

“Papa, ze achtervolgen me.”

“Wie? Wie achtervolgt je Luka?”

“Ik weet het niet, misschien Serviërs?”

Dinko verzekerde zijn zoon dat hij spoken zag. Luka bleef enkele weken binnen. Op den duur werd hij hoorndol van het binnen zitten en ging tenslotte opnieuw naar buiten. Nu wist hij het zeker: die auto daar… dat zwart punt aan het raam, dat was de loop van een geweer. Ze zouden hem deze keer niet aanrijden, maar meteen vanuit een auto doodschieten. Hij spurtte naar een winkel. Liep naar binnen en bleef hijgend achter de deur staan. Hij zag de auto langzaam voorbijrijden.

Dat ze hem niet eens bekeken, dat ze zelfs niet eens in hem geïnteresseerd waren, merkte hij niet op. Zijn fantasie zag op den duur enkel nog criminelen. “Waarom moeten ze mij hebben?”, vroeg hij zich af. “Waarom precies mij? Misschien door mijn moeder? Misschien zijn het geen Serviërs, maar Kroaten.” Zijn moeder was overal bekend, ze liep met haar vredesgedachten in binnen- en buitenland te koop.

“Mama, het is door jou dat ze mij zoeken, ze willen zich op mij wreken,” vertelde hij Visnja op een avond als hij opnieuw buiten adem thuiskwam.

Visnja maakte zich kwaad.

“Kom Luka, doe niet zo flauw. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd!”

Dat niemand hem wilde geloven, ergerde Luka.

Visnja: ‘Op den duur bleef Luka thuis. Hij durfde echt niet meer naar buiten, zelfs niet meer naar de universiteit. Hoe we ook smeekten. Hij was voor geen rede vatbaar. Dinko ging mee, ik ging mee. Maar zodra hij alleen weg moest, weigerde hij naar buiten te gaan. Hij trok zich terug, zette zijn geestelijke nood in mooie verzen om. Allemaal toonden we ons heel opgetogen over zijn talent. En ik moet eerlijk toegeven, zijn poëzie was beklijvend en prachtig. Daarom bekommerden zijn dwanggedachten mij niet zo, ze ergerden me alleen maar. Ach, artiesten, dacht ik, en ik was er zeker van dat eenmaal de oorlog voorbij zou zijn, eenmaal de rust in ons land zou zijn teruggekeerd, het wel zou overgaan. De oorlog verstoorde het inschattingsvermogen van zoveel mensen, hé. En elke dag die meedogenloze beelden op de televisie.’

 

 

Februari 1997

 

De Balkanoorlog was een jaar en enkele maanden achter de rug.

Visnja: ‘Ik werd door een Japanse vrouwenorganisatie uitgenodigd om in Tokio over duurzame vrede te spreken. Als een prinses werd ik ontvangen, mijn logement was prima. En toch, om de een of andere reden was ik heel onrustig. Het congres duurde enkele dagen, maar om een onverklaarbare reden verlangde ik na de tweede dag al terug naar huis. De naweeën van de oorlog begonnen echt in mijn kleren te zitten. Op een nacht kreeg ik een vreemde droom. Ik zag Luka over straat lopen, hij viel, hij bloedde hevig. Badend in het zweet werd ik wakker en belde meteen naar huis.

‘Hoe gaat het met Luka?’, vroeg ik, ‘Dinko, roep Luka aan de telefoon.’

‘Luka is er niet,’ zei Dinko, ‘hij is bij een vriend.’

‘Bij een vriend? Welke vriend?’, vroeg ik verwonderd.

‘Maar laat die jongen toch,’ zei Dinko streng. Zo op een toon van: als je niet thuis kunt blijven, bemoei je dan niet. Ik was kwaad, maar toch gerustgesteld en ging weer slapen. Toen ik tien dagen later thuiskwam, stond Dinko me op te wachten.

‘Ik moet je iets zeggen,’ zei hij. Ik zag meteen dat het erg was.

‘Luka,’ zei hij, ‘het is Luka!’

‘Zie je wel,’ schreeuwde ik. Luka lag in het ziekenhuis. Hij had zelfmoord willen plegen. Een overdosis pillen. Dinko had hem gevonden. Op het randje. Hij was helemaal verdoofd en versuft. God, mijn Luka. Lijkbleek lag hij daar in het ziekenhuisbed, hij keek me heel gelaten aan. ‘Waarom Luka?’ vroeg ik. Hij wou niet met me praten en maakte een handgebaar: “Ga weg jij!” Op dat moment ben ik gestorven. Sindsdien is het schuldgevoel niet meer uit mijn hart geweken. Dezelfde avond heb ik aan alle organisaties en aan iedereen die mijn aandacht had opgeëist, een brief geschreven:

‘Beste, Reken niet meer op mij. Ik bied u allen mijn ontslag aan, ik kan niet meer!’

Ik had me tot dusver voor anderen ingezet en niet gezien dat mijn eigen zoon me zo nodig had. De geneeskunde had zich steeds over zijn benen gebogen, maar de dokters waren vergeten naar zijn hoofd te kijken. Nu nog, na al die jaren, blijft Luka meestal thuis. Hij schrijft poëzie en kinderverhalen. Met weinig succes, want niemand heeft geld om boeken te kopen. Maar ik ben bij hem. Ik waak over hem als een engelbewaarder, probeer hem nu te geven wat ik hem die tijd niet gegeven had: aandacht.’

 

Voorzichtig slurpt Visnja aan haar Turkse koffie. Ik durf haar niet te zeggen hoe erg ik het voor haar vind. Ik durf haar niet te zeggen hoe geschrokken ik ben van die nieuwe Visnja. Zij, die rots in de branding, zij die inzicht had, die alles wist.

Visnja: ‘Ik wist helemaal niks, realiseer ik me nu. Nog altijd niet. In 1993 kwam de paus naar Zagreb, het was voor ons precies een verschijning. “Vergeven,” zei hij. “Vergiffenis schenken, dat is gelovig zijn.” We gingen naar huis, we zouden vergeven. Maar ik kan niet vergeven. Het werd ons opgedrongen, we hebben het een tijdje geloofd, maar hoe kan je vergeven als je dag na dag geconfronteerd wordt met oorlog en de gevolgen ervan? En ook de politiek heeft me ontgoocheld. Wat is er van mijn gevecht voor de waarheid overgebleven? Ooit zal de geschiedenis wel de waarheid schrijven over die vier jaar oorlog. Een deel van de schuldigen staat in Den Haag terecht. Een deel. En de toekomst? Ik, wij, een toekomst? Komaan zeg.’

 

Het is de allereerste keer sinds ik haar ken dat ik Visnja zie huilen, ze verbergt even haar gezicht en wrijft dan over haar ogen. Het nijpt in mijn hart.

‘Visnja,’ zeg ik en leg mijn hand op haar dij, ‘toe, niet huilen.’

Visnja: ‘Ik ben dat theater zo beu, alles is en was theater: de oorlog, de Dayton-akkoorden, alles. En wij, wij waren de marionetten, de machteloze pionnen. Ik zal nooit meer dezelfde zijn, er is nog teveel haat in mij.’

 

We drinken nog een koffie en nog één en nog één. Ik durf geen vraag meer stellen en ben blij als Visnja zich even in de toiletten afzondert. De lucht is te zwaar geworden. Alsof er niks gebeurd is, komt ze terug, opgewekt. Ze steekt lachend een hand naar me uit.

‘Kom, we gaan er op uit. Ik zal je ons nationaal museum laten zien.’

‘Het nationaal museum?’, vraag ik verwonderd.

‘Je moet het eens zien,’ zegt ze.

Ik weet niet eens of het cynisch bedoeld is. Een museum van een land dat met zijn geschiedenis worstelt, interesseert me eigenlijk niet. Ik durf niet te protesteren en laat me gewillig begeleiden. Eerst gaan we naar een boekenwinkel op de grote markt van Zagreb.

Toen Visnja nog uitgever was, heeft ze twee boekjes van haar zoon Luka uitgegeven.

Een dichtbundel en een sprookjesboek. Dat laatste met nogal agressieve tekeningen.

‘Mooi verhaal,’ wijst Visnja, ‘ongelooflijk mooi en zie je die tekeningen? Een monster dat moet verslagen worden.’

‘Ziet er heel interessant uit.’

Over de tekeningen kan ik oordelen, over de tekst niet. Ik koop beide boekjes en Visnja kijkt me dankbaar aan.

‘Aan Luka vertel ik dat zijn boeken internationale aandacht krijgen,’ zegt Visnja.

 

Zagreb is een stad in twee verdiepingen. Het bovenste gedeelte kan je onder andere bereiken met een lift. Visnja wil met de lift naar boven, die pas vertrekt als er volk genoeg aan boord is. Er stapt een oude, grijze man op, wit hemd, zwart kostuum, zwarte bolhoed en wandelstok. Hij doet aan een ver verleden denken, aan Habsburgse invloeden en vertellingen. Zelfs Sissi stapt wat later in de lift. Een mooi meisje met lange donkerblonde krullen. Net heeft ze zich neergezet of haar gsm rinkelt.

Weg dagdromen.

 

De vooravond van mijn vertrek drink ik met Visnja een laatste glas. Visnja is doodop en wat verward. Een paar uur geleden heeft ze met Dinko stevig ruzie gemaakt. Morgenvoormiddag wordt hun kleinzoon, Simon, gedoopt.

‘Misschien betekent dit nieuw leven het einde van die tien jaar ellende die we achter de rug hebben,’ zegt Visnja, nooit wars van enige symboliek. Maar de ruzie met Dinko ligt haar nu zwaar op het hart.

Als een voorbeeldige oma heeft ze de feesttaarten gebakken. Helaas, allemaal mislukt. Er was geen tijd om het nog eens over te doen. Morgen geen taarten dus.

‘Je bent een warhoofd, je werkt absoluut zonder planning,’ had Dinko haar verweten.

‘En jij,’ had ze hem hard van repliek gediend, ‘had jij een planning gehad, dan zat je nu niet thuis, dan was je geen vier jaar werkloos!’

 

‘En nu heb ik spijt van die wrede uitspraak, dat verdient hij niet,’ zegt Visnja.

Ik dring aan dat ze direct naar huis gaat en beloof morgen naar de kerk te komen om het doopfeest mee te maken.

’s Anderendaags koop ik op het Bloemenplein in het centrum van Zagreb twee ruikers bloemen. Eén voor de mama en één voor die lieve geteisterde oma die meer dan een decennium geleden zo indringend in mijn leven kwam.

Er zit veel volk in de kerk. Visnja zit trots naast haar Dinko en ik zie hoe ze nu en dan haar hand op zijn arm legt. De ruzie is blijkbaar bijgelegd. Luka zit ook in de kerk en houdt zijn petekind voortdurend in het oog. Hij is trots op zijn nieuwe taak.

De jonge priester eindigt de ceremonie door heel nadrukkelijk over ljubavi te praten. Ljubavi is één van de weinige Servo-Kroatische woorden die ik begrijp. Ljubavi betekent liefde.

En liefde is er gelukkig ook nog