Afghanistan - Dagboek van 12 tot 21 november 2011


Anita Purnal, Eneas (onze nieuwe parttime medewerker) en ikzelf vertrekken zaterdag 12 november 2011 naar Afghanistan. Vooral omdat de afdeling vredesopbouw van Buitenlandse Zaken ons een tijdje geleden liet weten dat ze op bezoek zouden komen om onze projecten te bezoeken.

Ook het Ministerie van Financiën van Afghanistan dringt aan op het zesmaandelijks rapport (Anita heeft het eerste gemaakt en zal nu ook het tweede maken). En voor Eneas is het heel belangrijk als nieuweling de projecten te leren kennen, maar vooral ook met Buitenlandse Zaken te onderhandelen.

Drie dagen voor ons vertrek, laat Buitenlandse Zaken weten dat hun bezoek niet doorgaat, wegens de Loya Jirga in Afghanistan. We kunnen onze tickets niet meer veranderen, bovendien ook Razia komt ons vervoegen. Razia woont nu in Islamabad, maar ze blijft verantwoordelijk voor onze projecten en volgt alles goed op. Ze komt geregeld op bezoek naar Kaboel en omstreken. Het is maar een uur vliegen van Islamabad tot Kaboel.

Ze is net maar net terug uit België, waar ze deelnam aan onze herdenking: Beeld van Hoop en Wanhoop, twintig jaar Moeders voor Vrede

 

Voor mij wordt het een heel interessante week. Ik heb het weer een beetje het gevoel thuis te komen, waarschijnlijk omdat Razia en ik veel kunnen werken.

We zijn met Turkisch Airlines gevlogen. Brussel –Istanbul - Kaboel. Een aanrader. De vliegtuigen zijn enorm verzorgd en bovendien wordt de bagage doorgestuurd!!

 

 

13 november 2011

 

Hakim staat ons met de chauffeur Elas om 10 uur in de voormiddag op de vlieghaven van Kaboel op te wachten. Zoals steeds geeft Hakim in nabijheid van andere mannen geen enkele blijk van blijheid of vriendschap. We rijden meteen naar ons appartement/kantoor aan de Kleermakersstraat (Sharahi Shaid) in Kaboel. Onze medewerker Eneas kijkt zijn ogen uit. Naar het stof, het chaotische verkeer en de bedrijvigheid van mensen, ezels, auto’s, enz. ‘Weinig vrouwen?’ merkt hij meteen op.

 

Aangekomen op ons appartement willen we meteen iets drinken. De koelkast is helemaal leeg! Hakim heeft ook geen eten gemaakt. Ik vraag hem of we welgekomen zijn? Maar Hakim is zelf net terug van zijn thuisbasis Gazni (gevaarlijk gebied met veel taliban) waar hij met zijn familie het Eidfeest heeft gevierd. Hij is er een paar dagen langer gebleven en vlug teruggekeerd omdat wij kwamen.

‘‘k Heb nog geen tijd gehad,’ zegt hij, ‘eerst heb ik de kamers klaargemaakt.’

Dan maar kebab gaan halen hé. Eneas bekent dat hij vegetariër is. Te laat, hij zal het met brood moeten stellen.

Razia komt een uur later aan. Ze is nog steeds heel opgetogen over haar verblijf in ons land voor de herdenking van twintig jaar Moeders voor Vrede in Ieper. Ze is fel onder de indruk van de manier waarop wij met elkaar omgaan. ‘Zo vriendelijk, zo normaal.’ ‘En ook hoe jullie met mannen omgaan. Hier wordt steeds een verkeerd beeld van het Westen voorgesteld,’ vertelt ze me meerdere keren.

Ook de sterkte van onze groep heeft haar geïmponeerd. Moeders voor Vrede is voor haar nu duidelijk het synoniem van hartelijkheid, van een sterke groep die weet wat ze wil!

In de namiddag vergaderen Razia en ik met Asef, Halima en Zubaida (deze laatste drie zijn onze medewerkers in ons kantoor in Kaboel en hebben elk een specifieke taak) over onze plannen van de volgende dagen. ’s Avonds heeft Hakim wel eten gemaakt. Eneas wordt als vegetariër voortaan met alle mogelijke groenten verwend. Tijdens de dag is het warm in Afghanistan, maar ’s avonds koelt het ferm af. Daarom leg ik een hele serie dekens op mijn bed. Met het boek: Post voor mevrouw Bromsley val ik in slaap.  Anita was verwonderd dat ik nergens een glas wijn opdiepte. Alcohol is in Afghanistan heel streng verboden. Soms brengen we stiekem in onze bagage een fles wijn mee. Maar deze keer dus niet.

 

 

14 november 2011

 

We vertrekken ’s morgens vroeg naar Dasht-E-Barch.  Dr. Oliya staat samen met de verpleegster Sakina voor een nieuwe, lange dag om minimum vijftig patiënten, vrouwen en kinderen, te aanhoren, te onderzoeken. De wachtkamer zit weer proppensvol. Tot zelfs op de trappen zitten de vrouwen met hun kinderen. Ze hebben een nummer in de hand. Ze moeten per nummer binnenkomen, anders wordt het een chaos met veel getwist: ik eerst, neen ik.

Dr. Oliya maakt even tijd voor een gesprek. ‘Er zijn vandaag redelijk veel bloedingen. Waardoor? Door bruut seksueel geweld,’ zegt ze, ‘en ja, ook door slagen, niet altijd van de man hoor, soms ook van de schoonfamilie, de schoonvader of schoonbroer, zelfs de schoonmoeder durft haar hand opheffen.’

We beloven haar een specifieke gynaecologentafel te kopen. Zo kan ze de vrouwen die het toelaten beter onderzoeken. Maar veel vrouwen laten het niet toe, soms kunnen ze niet anders. Als we later op de dag terugkeren, heeft ze al 72 patiënten onderzocht, terwijl 50 het maximum is. ‘Maar wat moet ik doen tegenover wanhopige vrouwen?’ vraagt ze.

Onze chef kippenprojecten , Masouda, komt ons in het dokterscentrum vervoegen. Want in het gebouw zijn er ook lokalen met naai- en alfabetiseringsklassen geïnstalleerd. Daar wordt ’s middags ook door het personeel gegeten.

‘We gaan toch ook een paar van haar projecten bezoeken?’ vraagt Masouda. Ze is heel trots op haar werk, in Dasht-E-Barchi begeleidt ze 15 kippenprojecten. .

Haar ogen liggen diep. Ze is net terug uit Pakistan waar ze zich liet opereren. Om een kind te krijgen, want tot dusver wordt ze bij haar schoonfamilie alleen geaccepteerd omdat ze op het einde van de maand geld binnenbrengt. Ze leeft zoals elke Afghaanse getrouwde vrouw bij haar schoonfamilie. Met haar loon hebben ze hun huis wat verbeterd. Masouda krijgt er een kamertje. Een vrouw die geen kinderen kan krijgen? Niks waard! Zeker hier niet. Ze onderging dus een operatie. Wat precies, vertelt ze niet. Schichtig kijkt ze om zich heen, ‘ik zal iets vertellen,’ fluistert ze, ‘de dokter heeft me gezegd dat de fout bij mijn man ligt. Hij kan geen kinderen krijgen, maar toen ik probeerde dat aan schoonmoeder uit te leggen, werd ze  razend. Ze wil dat niet aannemen. Ik mag er met niemand over praten, anders doodt ze me.’

Toch heeft deze bekentenis het leven van Masouda niet verbeterd. Zij en zij alleen kan geen kinderen krijgen!

We gaan even mee met Masouda naar haar kippenboerinnen. Ze zijn zoals steeds bijzonder trots op hun zelfstandigheid. Ze hebben nu hun vaste klanten die de eieren afnemen.7 Afghani per ei. (67 Afghani is 1 euro.)  ‘Met het geld kon ik eindelijk nieuwe kleding voor mijn kinderen kopen,’ aldus Raza Gull.

We hebben niet alleen alfabetiseringsklasjes in ons gezondheidscentrum, maar ook hier een daar in de heuvels van Dasht-E-Barchi. We bezoeken ze onverwacht. De sfeer is heel positief. Met veel aanwezigen. Oude en jonge vrouwen zitten op het tapijt op de grond. Hun schrift voor hen. Hun vingers laten ze aarzelend langs de zinnen gaan.

‘Weet je,’ zegt een oudere vrouw, die sinds enkele maanden dagelijks enkele uren naar de les komt, ‘ik kan nu eindelijk ook eens telefoneren. Ik herken de cijfers op de telefoon.’ Op de eerste rij zit een doofstom meisje. Heel geïnteresseerd volgt ze de lerares, als die iets op het bord schrijft dan buigt ze zich ook over haar schrift om het na te schrijven. De lerares vraagt haar naar het bord te komen. De lerares toont een foto, het meisje schrijft met een lange zin wat ze ziet. 

Daarna gaan we terug naar het gezondheidscentrum, want we hebben een afspraak met mister Hadji. Hij is de man die ons bijna twee jaar geleden uitnodigde en me aansprak als ‘Moeder van Afghanistan.’ Tot groot jolijt van mijn reisgenoten toen. Mister Hadji vroeg toen onze hulp voor de vrouwen. Hij zou ons zoveel mogelijk helpen. Toen hebben we ja gezegd, hij heeft ook zijn woord gehouden.

‘Ha, de Moeder van Afghanistan,’ zegt hij bij de begroeting. Hij is het dus niet vergeten. Mister Hadji is een heel rijk en invloedrijk man. Straks gaat hij ook naar de Loya Jirga, een vierdaagse samenkomst van het parlement, buitenlandse genodigden (Iran, Pakistan) en de invloedrijke ouderlingen van Afghanistan om te beslissen of de Amerikanen al dan niet na 2014 een basis in Afghanistan mogen houden.

We stellen veel vragen aan mister Hadji. Over de Afghaanse samenleving. ‘Ze lopen veel te veel achter de mullah’s en denken dat ze daardoor naar het paradijs gaan, je gaat naar het paradijs omdat je rechtvaardig hebt geleefd,’ antwoordt hij. We kijken op van zo’n antwoord. Hij geeft ook toe dat vrouwen beter behandeld moeten worden, meer kansen krijgen. ‘Daarom heb ik jullie hier gevraagd,’ zegt hij, ‘weet je dat ik elke maand in de shora (gemeenteraad) Moeders voor Vrede als voorbeeld aanhaal?’

Wil hij samen met mij op de foto? Dat is niet vanzelfsprekend in Afghanistan. Oké, maar ik mag hem niet aanraken. In de ogen kijken? vraag ik. We kijken naar elkaar? ‘ ’t is goed,’ beaamt hij. Maar ik kijk naar hem en hij draait zijn ogen heen en weer en durft me als Afghaanse man niet rechtstreeks aankijken.

Net voor mister Hadji binnenkwam hadden we met de meisjes, Halima en Zubaida een vrolijk gesprek. Volgens Halima die zich enorm voor de vrouwenrechten inzet, zijn 100% van de Afghaanse mannen slecht. ‘En wat is je idee nu? Na het bezoek van mister Hadi, zijn nog 100% van de mannen slecht Halima?

‘Ja, antwoordt ze, ‘100 % maar we kunnen één aftrekken.’

We lachen allemaal hartelijk.

Terug naar Kaboel. De Loya Jirga heeft veel impact. Iedereen is bang. Om de tien meter staat er politie, overal checkpoints. De taliban heeft met aanslagen gedreigd.

Zoals steeds houdt Hakim ons op de hoogte van de ontwikkelingen in zijn land. Op zijn kamertje staat een kleine tv die altijd aan staat. Als er elektriciteit is natuurlijk. Vandaag geen boem.

 

 


 


 

 

15 november 2011

 

Dit keer is Obaid onze chauffeur. Hij is nog niet lang geleden getrouwd. We vragen of hij gelukkig is? Hij lacht even. ‘Hij mag daar niet op antwoorden,’ maant Razia me. We rijden ’s morgens al vroeg naar Chakardara.

Een maand geleden hebben we in Chakardara  een nieuw gezondheidscentrum geopend. Een oud gebouwtje opgelapt, doktersequipement geïnstalleerd, (met dank aan de familie Messine) tapijten in een wachtkamer gelegd. Het gezondheidscentrum ligt in een district van 200.000 mensen waar geen doktersvoorziening is voor vrouwen.

Dokter Sedigha komt te laat. Ze heeft haar baby in haar armen. Het verkeer in Kaboel zit sinds vandaag in de knoop door de Loya Jirga . Er zat nog geen enkele patiënte te wachten en ik kijk Razia vragend aan.

‘Normaal komen er minimum 60 per dag,’ stelt ze me gerust. Enkele ogenblikken later komen inderdaad de eerste boerka’s aan. De vrouwen moeten van heel ver komen en zijn soms een paar uur onderweg. Uiteindelijk komen niet minder dan 69 patiënten naar ons gezondheidscentrum en stellen al hun hoop op dr. Sedigha. Dr. Sedigha werkt vandaag alleen, dr. Sima komt haar drie dagen per week vervoegen. We zullen dat probleem moeten oplossen en er een fulltime dokter in Chakardara bij plaatsen.

Dr. Sedigha moet haar baby meenemen, niemand wil op het kind passen. Zeker de schoonmoeder niet bij wie ze inwoont.

Aan de deur buiten vragen Razia en ik aan sommige patiënten hun medicijnen te tonen. Daarom zien we in dat we daar ook iets dringends moeten aan doen. Patiënten krijgen teveel dezelfde medicijnen. Een oude blinde vrouw die gevaarlijk hoest, kreeg toch hoestsiroop.

Na Chakardara rijden we naar Istalif. Eneas moet buiten wachten. Als we de poort binnengaan, komen onze medewerksters op ons af. Ze roepen ‘welkom, welkom’ en blijven maar kussen. Iedereen lijkt blij met onze komst. En dan vergaderen, problemen oplossen. Zoals die met onze oven waarin we onze keramiek paardjes bakken. Er is iets met het katoen dat de warmte moet binnenhouden. Daarom beslissen we ons licht op te steken bij een andere pottenbakker uit de streek.

Onze chauffeur Obaid rijdt ons door onmogelijke wegen naar een pottenbakker in de heuvels van Kololan. Nasima, onze chef-pottenbakkers gaat mee, ze introduceerde hem bij ons. ‘Good man,’ zegt ze. Later krijg ik er een ander gedacht over. We bekijken zijn werk. Er zijn hier en daar toch wat haperingen. Misschien op te lossen?

Ik vraag Razia hem te vragen hoeveel het zou kosten om onze paardjes in zijn oven te bakken.

Hij reageert kribbig: ‘die paarden? Dat zijn geen heilige beelden, ik weiger zoiets in mijn oven te zetten. Allah U akbar. (Allah is groot) .’

‘Zeg hem,’ reageer ik tegen Razia, ‘dat ik eigenlijk zijn werk goed bekeken heb en dat het op niks trekt.’ Hij incasseert en doet ijzig verder.

Terwijl wij bij de ene pottenbakker als vrouwen nogal brutaal en onbeleefd worden ontvangen, is onze Eneas (onze Belgische medewerker) bij een andere pottenbakker op bezoek.  (Jennie)

 

Als man mag ik niet binnen in het Vrouwencentrum als er vrouwen aanwezig zijn, ik krijg een alternatief, maar zeer boeiend programma aangeboden.

Shir Zada zal mij rondleiden bij de plaatselijke pottenbakkers.

 

We worden vergezeld van een man die door Shir Zada ‘de expert’ genoemd wordt. Al snel wordt duidelijk waarom, het is een vriendelijk en gepassioneerd man.

 

Ik zie het werkatelier. Er staat een draaischijf die met de voet aangestuurd moet worden. Overal staan potjes en kommetjes, mooie stukken die nog moeten drogen en gekleurd moeten worden.

Hij staat erop dat hij een demonstratie geeft. Hij maakt een ‘flowerpot’, een potje met een gekartelde kraag die aan bloemblaadjes doet denken. Het gaat snel en ziet er zeer goed uit.

Bij het afscheid krijg ik een potje, als teken van respect en genegenheid. Ik waardeer dit enorm!

 

We gaan te voet terug naar het Vrouwencentrum waar we in een zijkamer, ver weg van de vrouwen, lunchen en thee drinken.

 

Een gesprek met Shirzada leert me dat de arme bevolking zeer tevreden is met het centrum.

Ik kan niet anders dan concluderen dat het project ‘Afghanistan’ van MvV absoluut verder gezet moet worden. Ik ben er zeker van: zonder het werk van MvV zou de situatie voor vele Afghaanse vrouwen en ook mannen totaal uitzichtloos zijn.

Er groeit een bizarre liefde tussen Afghanistan en mij…(Eneas)

 



 

 

 

16 november 2011

 

Vandaag begint de Loya Jirga. Men is op zijn hoede voor aanslagen van de Taliban, daarom werden alle officiële bureaus gesloten. De scholen bleven wel open, de winkels ook. De NGO’s mogen zelf beslissen, de meeste beslissen om te blijven werken. Wij ook. Tot vanmorgen vroeg. Toen kregen we een telefoon van onze chauffeur, Noor, op weg naar Chakardara en Istalif. De laatste medewerkster, Aziza, die hij ging ophalen, had bezwaar. Of liever haar man, een voormalig veiligheidsagent die graag zijn stoer gedrag in beeld zet.

Geven en nemen. De man van Aziza vindt dat we vandaag niet moeten werken. Khandam, vindt het meteen ook een goed idee. Voila, een dagje vakantie. Ze is chef van het Vrouwencentrum en belt iedereen op dat ze vandaag vrijaf krijgen. Finaal krijgen de taliban dis gelijk. We schortten dus vandaag onze werkzaamheden op. Dat wil ook zeggen dat in Chakardara en Istalif bijvoorbeeld een zestigtal vrouwen tevergeefs bij de dokter zal aankloppen. Ook een paar honderd vrouwen krijgen vandaag geen opleiding omdat het dreigement van aanslagen te zwaar bewolkt is.

De staff van Kaboel; Asef, Halima en Zubaida,  is wel naar het kantoor/appartement gekomen. Razia logeert bij ons. Zo kunnen we een hele dag vergaderen, aan de administratie werken en veel op punt zetten. Hakim lacht ons uit; ‘Jullie bang voor boem? Ha,ha,ha.’

’s Avonds zet hij zijn kleine tv even in onze living. Draait en draait aan de antennes tot we beeld hebben. Karzai steekt een lange speech af in de Loya Jirga. Het duurt een half uur. Het nieuws is voorbij.

Andere uitzendingen blijven ons gelukkig gespaard. Hakim draagt meteen zijn tv terug naar zijn kamer.

We kunnen vanavond misschien eens rustig een stortbad nemen. Maar het lukt niet. Er is geen warm water genoeg. Of zelfs geen water. Dan maar de doekjes bovenhalen.

 

 

 

 

17 november 2011

 

De dag begint zoals gewoonlijk, opstaan rond 6u30 na de toiletschikkingen, naar de computer want zo vroeg is het nog mogelijk om je mails te bekijken een ook via een Vlaamse krantensite de Belgische toestand te meten. Daarna is het bijna onmogelijk op internet te gaan. Geen elektriciteit of de capaciteit is er niet.

Meteen is Hakim daar met de koffie. ‘Hier Djinnie,’ zegt hij, terwijl hij op mijn schouder slaat. De enige aanraking van een Afghaanse man die mij hier ooit te beurt valt.

Asef, Halima en Zubaida komen redelijk vroeg in het office. Samen met Razia die bij vrienden is blijven slapen. Ze is gisteren rond 16 uur met de chauffeur Elas en de staff vertrokken. ‘En ik blijf daar slapen, ‘ zei ze terloops. Ik keek er een beetje vreemd van op.

Shir Zada is samen met Masouda op het appel. We willen onze landbouwprojecten uitbreiden. Als we aan Shir Zada vragen of hij gisteren akkoord was met de beslissing van de man van Aziza en met Khandam om zo maar een dag vakantie in te lassen, vraagt hij of hij naar een vergadering of een verhoor komt?

Schapen en/of geiten. Flinke discussie. Masouda lijkt er meer van af te weten dan Shir Zada. Terloops dringt hij nog eens aan op een assistent. Dat doet hij altijd om de belangrijkheid van zijn functie te onderlijnen.

We spreken af dat we de andere projecten zullen verminderen, om schapen en geiten toe te voegen. De discussie duurt tot bijna de middag, waarna we nog eens met Halima, Asef en Zubaida aan tafel zitten.

Hakim heeft vleesballen met rijst gemaakt en voor Eneas die geen vlees eet, groenten. We maken veel plezier aan tafel. Vooral met Halima die zich echt als voorvechtster van de vrouwenrechten gedraagt. Na haar werk bij ons, gaat ze naar de universiteit. Een universiteit opgericht door dr. Sima Samar, die drie jaar geleden in Ieper de vredesprijs kreeg. Verleden jaar was ze zelfs genomineerd voor de Nobelprijs voor Vrede. In haar universiteit kan je rechten volgen.

Halima zit al in het tweede jaar. Ze volgt les vanaf vijf uur in de namiddag tot acht uur. Ze is niet bang om alleen naar huis te gaan. Ze heeft al eens een opdringerige jongen afgetroefd en ze gaat nooit de straat op zonder een mes in haar mouw. Onlangs heeft ze er twee die haar lastigvielen het mes onder de neus geduwd. Zubaida moet vreselijk lachen en zelfs even naar de gang gaan om haar schaterlach de vrije loop te geven.

Om 13u30 vertrekken ze tot zaterdag. Want de donderdagnamiddag is voor hen als de zaterdagnamiddag voor ons. Anita en Eneas buigen zich verder over de cijfers. Ze zijn er al een paar dagen druk mee bezig. Anita maakt ook een tijdslijn, waardoor we heel goed zicht krijgen op de voorbije activiteiten.,

’s Avonds zijn we om 19u30 verwacht bij de Belgische ambassadeur. Meneer Michel Lastschencko. We rijden er heen met een gewone taxi. De ambassade ligt slechts een paar straten verder van ons appartement. Zonder enig probleem worden we meteen binnengelaten. De ambassadeur ontvangt ons in zijn toch wel stijlvolle woonkamer. Hij opent meteen een fles champagne en blijkt nog te weten dat ik graag witte wijn drink. Volgens Anita komt dat omdat hij de vorige keer bij ons op bezoek kwam en een fles rode wijn meebracht en we daarover plezier maakten. Hoe dan ook, hij gedraagt zich uitbundig, maar wat hij te zeggen heeft komt als een klap in mijn gezicht: jullie subsidiedossiers zijn goedgekeurd voor de commissie, voor het ministerie, maar ons land, België, heeft geen geld meer, het zal lang duren eer jullie dat geld krijgen.

De tranen wellen achter mijn ogen.

De ambassadeur heeft ook de Poolse Ana uitgenodigd die vroeger voor SAB (Solidarité Afghanistan België, de enige andere Belgische organisatie die in Afghanistan werkt, maar nu door een Fransman geleid wordt) werkte. Ze heeft momenteel geen werk meer en aanvaardt alle opdrachten.

‘Ik kom hier al lang,’ zegt ze wat van uit de hoogte. ‘Wij ook, sinds 2002,’ repliceer ik. Ze bindt wat in.

We krijgen zalm met toastjes, daarna rijst met vlees en groenten en natuurlijk een fles wijn

Op het einde zegt de ambassadeur, die allicht de ontgoocheling die maar op mijn gezicht blijft kleven, opmerkt dat het toch allemaal niet zo lang zal duren. We vertrekken rond 21 uur met een ‘safe’ taxi die 250 Afghani kost.

 

In het appartement zitten we alle vier eerst nog wat verslagen naar elkaar te kijken. Ik ga slapen, kondig ik aan. Want wat baat het ons zo druk te maken? We zullen het via België moeten vernemen

Vrijdag 18 november 2011

Vrijdag is vrije dag. Dus niet zo vroeg op. Verjaardag van mijn zoon Luc, ik stuur een berichtje, maar moet natuurlijk zien dat het niet te vroeg aankomt. We zijn hier 3 ½  uur later dan in België. Hier 8 uur, bij ons 4u30 uur in de morgen.

’s Morgens altijd hetzelfde ritueel. We zitten aan tafel en Razia en ik beginnen te discussiëren over onze beslissingen. Mijn maag laat zich opmerken, ik ga naar de badkamer trek de deur dicht en het bovenste venstertje dat met een rubberen handschoen wordt dichtgehouden(!), valt naar beneden en breekt het venster. Brengen scherven geluk? Hakim zegt dat het niet erg is.

Om 11 uur moeten we vertrekken naar Karima die een nieuw huis gebouwd heeft en ons heeft uitgenodigd voor de lunch. Ze woont aan de rand van Kaboel. Onderweg kopen we wat fruit, dat is blijkbaar de gewoonte hier. Met een paar zakken peren, appelen en bananen gaan we weer op weg. Elas is onze chauffeur. Een vriendelijk man eigenlijk en zoals de meeste Afghanen van geen kleintje vervaard. Hij rijdt alsof hij alleen op wereld is, terwijl het verkeer hier, gekker en gekker wordt. We moeten een paar straten voor het huis van Karima stoppen, want geen auto kan de steile helling op.

Haar huis is mooi, met opzichtige blauwe gordijnen en zetels. Een Franse WC zonder water. Ze krijgen driemaal per week water aangevoerd dat ze dan in een reservoir moeten opslaan. Elektriciteit hebben ze wel. De grond hebben ze van een rijke immobiliënbaron gekocht. Er zijn er zo een paar in Kaboel die gulzig grond verkopen. Ook tegen de heuvelwand waar ze zelfs geen water hebben en flink naar beneden moeten stappen om water op te halen. Het is wel positief dat er zoveel wordt gebouwd. Bij ons zeggen ze dat ‘als de bouw goed gaat, de economie goed is.’ Als dat hier klopt dan is er hoop.

We mogen in de zetels blijven zitten rond de glazen tafeltjes wat abnormaal is. In Afghanistan zit je op de grond op het tapijt om te eten. We krijgen droge noten en moerbeien. Ze zijn zo lekker dat we zelfs bij het terugrijden stoppen aan een winkeltje om zo’n dingen voor onszelf te kopen. Daarna zet Karima ashak (stukje deeg gevuld met vlees of groenten als – ravioli -) op de tafel en vlees in tomatensaus met enkele blikjes cola of Fanta.

Het is lekker en we eten onze maag vol. Daarna een appel, wat thee en de lunch is over. Om 14 uur vertrekken we. Sukkelen naar beneden tot bij onze auto. Elas staat te wachten. Hij rijdt verder naar beneden en het is op een moment precies alsof hij in een ravijn zal rijden.

Anita stelt voor om langs het gekende gebombardeerde paleis te rijden. Eneas heeft het nog nooit gezien en het is wel het ‘gezicht’ van Kaboel. Zoals de Eiffeltoren in Parijs.

Tot onze grote verwondering mogen we de ruïne bezoeken. Voor de allereerste keer. Razia heeft met de soldaten die de wacht houden onderhandelt. Ze is een goede diplomate. Het paleis is werkelijk indrukwekkend. Aan de andere kant van het plein, voor het paleis, wordt het nieuwe parlement gebouwd. De straten er rond zijn als grote autowegen aangelegd. Het ziet er allemaal hoopgevend, nieuw en indrukwekkend uit. Blijkbaar gaat men het paleis restaureren. De Japanners. Zal veel geld kosten.

Er is sprake om ook de Barbur garden te bezoeken, maar ik wimpel af. Eigenlijk ben ik hier niet om toeristische uitstapjes te doen

Om 17 uur komen we aan in ons appartement. De chauffeur vraagt of we soms geen bier hebben? Waar haalt hij dat? Jullie Westerlingen drinken toch bier! In een kast staan nog een vijftal blikjes bier van veel vroeger. Tuborg en Heineken. We geven hem een blikje Heineken. Als een tevreden kind dat wat speelgoed kreeg,  verpakt hij het blikje zodanig dat niemand ziet wat hij gekregen heeft. Je weet maar nooit.

 

 

 

 

 

Zaterdag 19 november 2011

 

De Loya Jirga duurt vier dagen. Vandaag de laatste dag. Er is opnieuw heibel, omdat men gisteren op tv zei dat alles in Kaboel moest  sluiten wegens de slotdag van Loya Jirga. Het is bij Khandam weer niet in dovemansoren gevallen. Ze belt Razia op: ‘dus we gaan allemaal weer naar huis, we gaan niet werken? vraagt ze. 

Razia en ik worden heel kwaad. We geven haar de keuze werken of geen salaris!.

’t Is rap beslist. Een paar uur later bellen ze ook van de security van Istalif waarom wij wel werken, en ook Asef krijgt van de gouverneur van Istalif een telefoon om te vragen waarom we werken? Iemand heeft hem onze beslissing doorgebeld. In Afghanistan is men heel goed in tamtam.

Onze dr. Sima krijgt in Istalif heel veel patiënten over de vloer, omdat de andere gezondheidscentra rond Istalif, als Sozo en Malaga, gesloten zijn.

 

We vertrekken zelf naar Dast-E-Barchi met onze chauffeur Elas die zegt dat hij gisteren genoten heeft van het biertje.  In het gezondheidscentrum van Dasht-E-Barchi is het opnieuw dringen. Een oude vrouw komt voor de tweede keer, ze moet daarvoor toch een heel stuk wandelen. Haar schoondochter heeft haar vergezeld. Een andere jonge vrouw vertelt dat haar maandstonden niet regelmatig zijn en ze veel bloedingen heeft. Een ander jong meisje heeft al een paar maanden geen maandstonden, dus allicht in verwachting? Ze kijkt wat verward, het is duidelijk dat ze liever haar maandstonden wel had gehad. Haar ander baby is nog maar 18 maanden oud. Dokter Oliya en de vroedvrouw zijn heel vriendelijke vrouwen. De patiënten houden van hen.

 

Al sinds mijn eerste bezoek dit jaar in februari ben ik bezig met maandverband voor Afghaanse vrouwen. Ze gebruiken een vuil doekje waarmee ze zich regelmatig afvegen. Geen man mag het zien en ze kunnen het ook niet wassen. Want de man zou het ergens ontdekken terwijl het ophangt om te drogen.

Aan Husnia, de naailerares, tonen we een soort maandverband dat we ontdekt hebben. Het is een lichte doek waar ze een soort watten (kapok) tussen steken. Ze reageert heel opgetogen, ze zal het de vrouwen aanleren.

 

Er is ontzettend veel verkeer en politie. Elas wringt zich overal door.

We krijgen ’s avonds bezoek van de Poolse Anna. Ze komt vragen of ze soms hier kon komen wonen of liever of we ergens een appartement te huur weten. Nu leeft ze niet zover hier vandaan en betaalt 500 dollar voor één kamertje. Ze zit ook zonder werk.  Niet met zoveel woorden heeft ze het gevraagd, maar toch zou een jobke van pas komen. Helaas, we kunnen haar niet helpen. 

Razia heeft Noor opgebeld om ons vanavond naar een restaurant te voeren. We hebben Karima en haar echtgenoot, plus Hakim uitgenodigd. Om Karima te bedankten omdat ze ons al twee keer in haar huis heeft uitgenodigd. En Hakim omdat hij ons altijd zo verwend.

 

Om 18 u30 komt Karima en haar zoontje naar boven. Ze zijn door Noor afgehaald. Haar man wacht in de auto. We vertrekken met Hakim naar het restaurant Haji Baba in de Chickenstreet. Een triestig en eerder vuil restaurant. We zijn alleen. Voor de deur grote betonblokken voor de veiligheid. Karima, haar man, haar zoon, Noor, Hakim, Razia, Anita, Eneas en ik zetten ons op de eerste verdieping aan tafel. Ja, in restaurants gebruiken ze tafels. We krijgen (bijna koude) soep, cola, raviolli en kebab. Eneas een groenteschotel. Het duurt allemaal niet lang. Een goed uur later en 4500 Afghani lichter, vertrekken we.

Dan maar naar bed. Ik lees het boek van Connie Palmen, Logboek van een overlijden, en slaap deze keer minder goed.

 

 

Zondag 20 november 2011

 

Vandaag naar Chakardara en de puntjes op de i zetten bij Khandam. Gaan we haar al dan niet haar ‘warning’ brief geven. Asef komt rond 8u30 toe, doodziek. Hij heeft twee nachten op een huwelijksparty gezeten. Het is zeker niet van de alcohol, want die wordt hier nog steeds niet gedronken.

Anita besluit om niet mee te gaan teveel bureauwerk. Elas, is onze chauffeur en zo rijden Eneas, Razia en ik eerst naar de kliniek van Chakardara. De guard ontvangt ons lachend: ‘Als jij komt dan schijnt de zon.’ zegt hij en heft veelbetekenend zijn handen omhoog.

Alsof hij Allah aanroept. Dat moet op de foto. Maar juist als we een foto willen nemen, komt de mullah voorbij. Grote tulband, lange zwarte baard. Hij kijkt bedreigend. We hebben een kamer gekregen bij de moskee, waar onze mannen, de chauffeurs, Shir Zada en de leraar Engelse lessen, kunnen gaan eten.  Ze mogen absoluut niet bij ons gezondheidscentrum naderen, dat zou de vrouwen afschrikken en de vrouwen zouden uiteindelijk verboden worden om nog te komen.

Er zijn al meer dan twintig patiënten bij de dokter langs geweest. Dr. Sima is er nu ook, zij wil ook een gynaecologen tafel.  We gaan even kijken in de wachtkamer. Een vrouw die tegen de muur zit, bedankt ons voor onze inspanningen. Een jonge vrouw valt haar bij. Ze dankt uitgebreid. Een oudere vrouw zegt dat ze voor de tweede keer komt en goed geholpen wordt. Dank u, dank u, roepen ze. (In dit district wonen 200.000 mensen. Ze hebben één dokter, maar……alleen voor de mannen.) We gaan nog even in de andere kamer, het bureau, bij Karima en Chakoko langs en tonen ook aan Chakoko het voorbeeld van maandverband. Ze vindt het wel een goed idee. Ze zal de vrouwen leren hoe dit te maken.

Parwana, lerares Engels, komt binnen. Ze is heel opgetogen. Onder haar lange zwarte jas en sjaals, die ze langzaam afneemt, draagt ze een kleurig, nieuw kleedje. Ze lacht uitbundig. Is ze niet mooi?

Daarna vertrekken we naar Istalif, langs een omweg. Wat zullen we doen met Khandam? Razia en ik debatteren er al een paar dagen over.  Ze weten in Istalif niet dat we komen. Torpekay draait na ons geklop de poort open en heet ons welkom. Ook Nasima en haar medewerkster komen ons meteen groeten. We gaan langs bij Aziza die gisteren veertig patiënten had en nu 35. Teveel voor mij alleen, zegt ze. Het is de regel dat er hier een dokter moet aanwezig zijn. Dus ons plan om haar alleen te laten werken zal niet lukken.

Ze is moe, haar hoofd draait. ‘We gaan eerst lunchen,’ zegt Razia.

‘Neen,’ zeg ik, ‘we lossen eerst het probleem met Khandam op.’

De ‘warning’ brief hebben we voorlopig in de auto laten liggen. We gaan alleen in het bureau zitten en ik vertel haar dat haar gedrag dat van Moeders voor Vrede moet zijn, anders dat we niet verder kunnen samenwerken. Het was Khandam die het personeel de raad gaf om niet te komen werken, wegens de onveiligheid door de Loya Jirga. (We zijn wel blij dat er niks gebeurde, anders hadden we een ander lied moeten zingen).  Er volgt een heel lang gesprek tussen Razia en Khandam.  Maar uiteindelijk geeft Khandam toe dat ze fout was. Ze wil verder met ons werken, ze houdt van ons en zal het nooit meer doen. Uiteindelijk omarmen we elkaar. Razia en ik zijn blij dat we geen maatregelen getroffen hebben die veel schade hadden kunnen berokkenen.  Aan Khandam zeg ik dat de geborduurde handdoekjes heel goed zijn.

We gaan lunchen in de keuken van het Vrouwencentrum en daar stormen plots alle naaistertjes binnen. Ze komen zeggen dat ze me heel graag zien, ze kussen me ontelbare keren. Eén voor een. Ik word er zelfs ontroerd door. ‘Ja, we houden van Moeders voor Vrede, we houden van ons werk,’ luidt het.  De kokkin, sluit ook aan. Ook Sohalia en Nasima komen dat ook bevestigen. Ze staan voor de tafel en drukken hun liefde uit.

Goed, laat me gewoon content zijn, maar allicht waren ze toch wel wat bang dat we drastische maatregelen gingen nemen.  Om 13 uur verlaten we Istalif en aan de deur willen ze me nog eens allemaal te kussen..  Ze zijn spijtig dat we vertrekken en vragen wanneer  ik terugkeer. Very soon.

Elas  rijdt door de rivier terug naar de weg in Istalif vandaar zijn we nog twee uur op weg naar Kaboel. Om drie uur zijn we in ons office. Want we hebben een afspraak met de organisatie Shuhada. Wie is er niet op de afspraak? Shuhada natuurlijk.

Ondertussen krijg ik een mail van Atiq, (die we een goed jaar geleden ontslagen hadden omdat hij niet eerlijk omging met ons geld) om zich te verontschuldigen. Hij zou het geld terugbrengen en zou zo graag weer voor ons werken, niettegenstaande hij een goede job en loon heeft. ‘Jullie zijn de most honest NGO,’ schrijft hij, ‘en elke minuut denk ik aan jullie.’

Ik antwoord niet. 

Het is nu bijna vijf uur. Shuhada komt eindelijk aan. We hebben een interessant gesprek. Maken goede afspraken. Daarna maken wij onze bagage. 90 kilo. Want we nemen 300 afgewerkte handdoekjes mee.

Morgenvroeg vertrekken we. Ja, met wat pijn in het hart.